menuMenu
Menu

Wie is de werkgever: vennoten, VOF of beide?

Wie is de werkgever, indien een vennootschap onder firma een arbeidsovereenkomst sluit met een werknemer. Rechtbank Overijssel stelt over die vraag prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.

Een vennootschap onder firma (VOF) en de beide vennoten zijn april 2015 failliet verklaard. In november van dat jaar zijn de faillissementen van de vennoten omgezet in wettelijke schuldsaneringsregelingen. Het faillissement van de VOF is juli 2016 opgeheven bij gebrek aan baten. Het UWV heeft bij de bewindsvoerder van de beide ex-vennoten vorderingen ingediend. De vorderingen van het UWV hebben betrekking op de vorderingen van de werknemer en derden die op UWV zijn overgegaan en de daarover verschuldigde premies werknemersverzekeringen. Volgens UWV is uitgangspunt dat een overeenkomst met een vennootschap onder firma als een overeenkomst met de vennoten heeft te gelden. Het UWV verwijst hiervoor naar een arrest van de Hoge Raad uit 1937, waarin de Hoge Raad oordeelde dat een VOF niet een afzonderlijke rechtspersoon is, maar de benaming van haar gezamenlijke leden in
hun vennootschapsrechtelijk verband. Die dragen de rechten en verplichtingen van de vennootschap. De Hoge Raad vervolgt met “dat mitsdien degeen, die in dienst heet te zijn van een vennootschap onder firma, in werkelijkheid in dienst is van ieder der vennooten.” De bewindvoerder betwist dat de vennootschap onder firma geen rechtspersoonlijkheid kent en
de firmanten (automatisch) als contractpartij en dus als werkgever gelden. De bewindvoerder verwijst hiervoor naar latere arresten van de Hoge Raad, onder andere het arrest van 6 februari 2015 waar in de Hoge Raad oordeelde dat ondanks het ontbreken van rechtspersoonlijkheid de VOF in het maatschappelijk verkeer wordt gezien en op diverse plaatsen in de wet (art. 51 Rv, art. 4 lid 3 Fw) ook wordt behandeld als een afzonderlijk rechtssubject dat zelfstandig aan het rechtsverkeer kan deelnemen. Ook wijst de bewindvoerder op de gangbare rechtspraktijk dat bij faillissement van een VOF de curator de arbeidsovereenkomsten met de werknemers opzegt, ongeacht of de firmanten failliet zijn.
De rechtbank concludeert dat de partijen van mening verschillen over enkele principiële vragen ten
aanzien van de aard/ het wezen van de vennootschap onder firma. Die vragen zijn door de wetgever en in de rechtspraak en literatuur niet duidelijk, althans niet eenduidig beantwoord. Beide partijen hebben dan ook prejudiciële vragen voorgesteld die de rechtbank wil voorleggen aan de Hoge Raad. Het betreft onder meer de vraag of de vennoten van een VOF als werkgever zijn aan te merken in de zin van art. 66 WW en art. 40 FW en hoe de vordering van het UWV dan in de schuldsaneringsregeling van de vennoten moet worden behandeld: als een preferente vordering dan wel als een concurrente vordering.

Redactie

Sdu vakredactie