menuMenu
Menu

Kwijtgescholden vordering op ‘werknemer’ is loon

Als een werkgever iemand opneemt in de loonadministratie als werknemer, dan mag de Belastingdienst ervan uitgaan dat deze persoon ook een werknemer is. De afboeking van een vordering op die werknemer vormt dan loon, tenzij er sprake is van een oninbare vordering.

De aandelen van een uitzendbureau zijn in handen van een stichting en een limited (Ltd). De aandelen van de Ltd, die nog al eens wisselen van eigenaar, zijn eerst voor een deel en later helemaal (middellijk) in handen van de enige aandeelhouder en grootaandeelhouder van de onderneming. Uit het rapport, na een boekenonderzoek naar onder meer de loonheffingen over 2007 tot en met 2010, blijkt onder meer dat het uitzendbureau een renteloze lening in de vorm van een rekening-courantverhouding is aangegaan met een werknemer. Het uitzendbureau en de werknemer hebben geen afspraken gemaakt over de aflossing en rentevergoeding en er zijn geen zekerheden gesteld. De Belastingdienst merkt de waarde van de rekening-courant, toen € 54.000 en het rentevoordeel van 2,5%, aan als loon uit dienstbetrekking. Het uitzendbureau gaat akkoord met de correctie.
Vanaf november 2009 tot en met april 2012 neemt het uitzendbureau de werknemer op in de loonadministratie. Als ‘manager p&o’ sluit hij uitzendovereenkomsten met werknemers. Uit de jaarrekeningen van het uitzendbureau blijkt dat de winst geheel ten goede komt aan de grootaandeelhouder. In de aangifte vennootschapsbelasting over 2011 is een afboeking van € 160.235 opgenomen. Het betreft afboeking van een vordering op een personeelslid (de ‘manager P&O’). In de toelichting staat dat hij ex-compagnon van de grootaandeelhouder was en dat hij voor 50% participeerde in een andere vennootschap, waarin de grootaandeelhouder voor de andere 50% participeerde, welke vennootschap eigenaar van het uitzendbureau was. Het uitzendbureau heeft woonkosten, managementvergoedingen, een leaseauto en boeten voor de ‘compagnon’ betaald en deze kosten in rekening-courant geboekt. Volgens de grootaandeelhouder handelde zijn ‘compagnon’ eigengereid en is hij door hem bedreigd. Hierdoor heeft de grootaandeelhouder in 2012 de samenwerking beëindigd en zijn ‘compagnon’ voor € 35.000 uitgekocht. Uit de loonadministratie, die de grootaandeelhouder verzorgt, blijkt dat de ‘compagnon’ tot in 2012 loon heeft genoten, waarover loonheffingen zijn afgedragen. Hierin zijn niet de afkoop van de rekening-courant en de uitkoopsom verwerkt. De Belastingdienst legt een naheffingsaanslag, rente en een vergrijpboete op.

Voor het hof is in geschil of de naheffingsaanslag en de vergrijpboete terecht zijn opgelegd en of er sprake is van een dienstbetrekking tussen het uitzendbureau en zo ja, of het kwijtgescholden bedrag en de afkoopsom loon uit dienstbetrekking vormen. In meerdere stukken vermeldt het uitzendbureau dat de vermeende ‘compagnon’ in dienstbetrekking was of vermeldt zij dat hj als zodanig heeft gehandeld. Uit geen enkel stuk blijkt dat de werknemer op voet van gelijkwaardigheid als compagnon met de grootaandeelhouder heeft samengewerkt of dat hij op enig moment middellijk aandeelhouder was van het uitzendbureau. Bovendien kwam de winst van het uitzendbureau geheel aan de grootaandeelhouder toe, volgens de jaarrekeningen. De ontbindingsovereenkomst van de samenwerking is niet overgelegd. Het hof komt daarom, net als Rechtbank Den Haag tot de conclusie dat het uitzendbureau niet aannemelijk heeft gemaakt dat er geen sprake is van een dienstbetrekking. Vervolgens komt aan de orde de vraag of de afboeking van de vordering en de afkoopsom loon uit dienstbetrekking vormen. Een kwijtschelding vormt geen loon als deze vordering niet voor verwezenlijking vatbaar is. Het voordeel is dan niet als werkgever verstrekt, maar in de hoedanigheid van crediteur die er niet in is geslaagd zijn vordering te innen. De omstandigheid dat de werknemer de grootaandeelhouder heeft bedreigd zou tot een feitelijk oninbare vordering kunnen leiden. Hij heeft zich onbeheerst en onbeschoft gedragen en op kantoor is hij in gevecht geweest met de broer van de grootaandeelhouder. Het hof acht deze omstandigheden onvoldoende om aan te nemen dat sprake was van een dusdanig ernstige bedreiging dat een redelijk handelende crediteur zou afzien van invordering. Er is ten slotte geen aangifte van bedreiging bij de politie gedaan. Hierdoor zijn de afboeking en de afkoopsom belast loon. Gezien de omstandigheden kan aan het uitzendbureau aan opzet grenzende grove nalatigheid worden verweten, ook omdat de grootaandeelhouder zelf de loonadministratie verzorgde en de zogenaamde compagnon daarin had opgenomen. Het hof acht een boete van 25% passend en geboden.

Een vordering, zoals een voorgeschoten boete van een werknemer, vormt geen loon, wanneer de werkgever pogingen heeft gedaan de vordering te innen, maar daar niet in is geslaagd. Zie ook het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 1990. In die zaak ging het over een verkoop van een woning aan de werkgever door een zieke werkneemster tegen een bedrag hoger dan de waarde in het economische verkeer.

Trefwoorden: 

Jacqueline Nietveld

Jacqueline Nietveld, Nietveld loonheffingen en inkomstenbelasting, is auteur voor onder andere het tijdschrift Loonzaken